De slogan ‘Nooit meer’ ontstond na de Tweede Wereldoorlog en is geworteld in de belofte om herhaling van de verschrikkingen van de Holocaust te voorkomen.
Hij is in de loop der tijd uitgebreid tot een universele verbintenis tegen racisme, discriminatie en geweld, en hij dient ook als oproep tot actie in diverse mensenrechtenbewegingen.
Maar met de opkomst van populistisch nationalisme, sterke-mannenpolitiek en het loslaten van internationale wetten en orde, als ook het heengaan van de generatie die nog levende herinneringen aan die oorlog heeft, dreigt ‘Nooit meer’ onder onze ogen uitgehold te raken.
Laten we nog eens kijken naar hoe deze slogan is ontstaan.
Drie joodse stemmen hebben in het bijzonder bijgedragen aan de ontwikkeling van de morele grammatica die in deze zin tot uiting komt:
- Vergeten, zei Elie Wiesel, is hoe het kwaad een tweede leven krijgt.
- Auschwitz, waarschuwde Primo Levi, was geen dwaling, maar een menselijke mogelijkheid: “Het gebeurde, daarom kan het opnieuw gebeuren.”
- Het kwaad, stelde Hannah Arendt vast, is iets huiveringwekkends alledaags – ‘banaal’, bureaucratisch, wettig, respectabel. Dat betekent nooit meer jegens onverschilligheid, niet alleen nooit meer jegens kampen. De grootste misdaden van de twintigste eeuw werden niet gepleegd door monsters, betoogde Arendt, maar door gewone mensen die gehoorzaamden, zich schikten en wegkeken.
‘Nooit meer’ gaat dus nooit alleen over het verleden; het is een waarschuwing over de menselijke natuur. Morele afschuw alleen is niet genoeg. Het moet geïnstitutionaliseerd worden.
- De Poolse Jood Raphael Lemkin bedacht het woord ‘genocide’ in 1944 na het verlies van 49 familieleden, omdat de bestaande wet de misdaad niet kon benoemen.
- Hersch Lauterpacht, een nabij Lemberg (nu Lviv) geboren Poolse Jood, ontwikkelde het idee van ‘misdaden tegen de menselijkheid’, waarbij bescherming werd verschoven van staten naar personen.
- Rechter Robert Jackson was de drijvende kracht achter de totstandkoming en de strategie van de Neurenberg processen (achter het katheder op de foto hierboven). Hij drong aan op een proces van gerechtigheid in plaats van de door het Amerikaanse leger geprefereerde kogels-door-het-hoofd. ‘Alleen bevelen opvolgen’ geldt niet als verdediging, zo werd tijdens de processen vastgesteld.
Wanneer de moraal faalt, kan de wet macht beperkingen opleggen, zo geloofden deze mannen. Hun werk leidde tot het Verdrag inzake genocide (1948) en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948).
Vaak over het hoofd gezien, maar cruciaal waren de christelijke stemmen van berouw en verantwoordelijkheid.
- Karl Barth benadrukte dat de kerk zich niet achter neutraliteit kan verschuilen. Zwijgen, zo stelde hij, is op zichzelf al een politieke daad van medeplichtigheid.
- Dietrich Bonhoeffer (geëxecuteerd in 1945) werd postuum een getuige van het feit dat navolging verzet kan vereisen, zelfs als dat grote offers vraagt.
- Ook de kerken werden gedwongen tot een pijnlijke zelfreflectie. Duitse protestanten bekenden hun collectieve morele falen in de Schuldverklaring van Stuttgart (1945). Geloof zonder moed werd medeplichtig. Christelijk geloof dat verantwoordelijkheid voor de wereld weigert, houdt op trouw te zijn. Neutraliteit, zo benadrukte Bonhoeffer, is geen onschuld wanneer onrecht heerst.
De architecten van een nieuw Europa lanceerden het Europese project niet als een economische droom, maar als een vredesdiscipline. ‘Nooit meer oorlog tussen ons’ werd de politieke vertaling ervan. Gedeelde soevereiniteit en wederzijdse verantwoordelijkheid bond voormalige vijanden in wederzijdse afhankelijkheid, te beginnen met de kolen- en staalindustrie, met als doel oorlog tussen hen materieel onmogelijk te maken. Robert Schuman, Konrad Adenauer, Alcide De Gasperi – allen gevormd door dictatuur, gevangenschap of ballingschap – geloofden dat verzoening gestructureerd moest zijn, niet sentimenteel. Het was een moreel project en Schuman stond erop dat het een ziel nodig had.
Lege slogan?
Maar herinneringen doorgegeven aan generaties die de ervaringen niet zelf hebben meegemaakt, dreigen krachteloos te worden. We moeten opnieuw beseffen waarom ‘Nooit meer’ in de eerste plaats is ontstaan.
Want de belofte waarop Europa is gegrondvest, wordt op de proef gesteld. Europa is gebouwd op de veronderstelling dat wetten ertoe doen, dat grenzen niet met geweld kunnen worden gewijzigd en dat beleid moet worden gevormd door herinneringen. Als Europa deze principes niet kan verdedigen wanneer dat veel kost, dan wordt Nooit meer een loze slogan – en geen fundament.
We zien de waarschuwingstekens terugkeren – aan beide zijden van de Atlantische Oceaan: ontmenselijkende taal (‘parasieten’, ‘ongedierte’, ‘verraders’), gelegaliseerde uitsluiting van minderheden, als wapen gebruikte nostalgie (‘maak ons volk weer groot’), genormaliseerd liegen en minachting voor de waarheid, neutraliteit die als wijsheid wordt voorgesteld. Dit zijn geen nieuwe patronen. We herkennen ze uit de jaren dertig van de vorige eeuw.
Nu we de vierde verjaardag naderen van Poetins bloedige en rampzalige invasie van zijn zuiderbuur, stelt Oekraïne een wrede vraag: Wat betekent ‘Nooit meer’ als genocide-achtige praktijken onmiddellijk worden gedocumenteerd – en nog steeds worden besproken als ‘complex’?
Oekraïne brengt deze crisis scherp in beeld. Massale deportaties van kinderen, uitgewiste identiteit, opzettelijke aanvallen op burgers, culturele vernietiging, de ontkenning van het bestaan als volk, de taal van ‘heropvoeding’ en ‘historische correctie’ – dit zijn geen uitzonderingen in oorlogstijd, maar echo’s van de donkerste hoofdstukken uit de Europese geschiedenis. Het zijn precies de misdaden die het naoorlogse recht moest voorkomen.
‘Nooit meer’ belooft niet dat het kwaad niet zal terugkeren. Het belooft dat wanneer het terugkeert, het bij naam zal worden genoemd, bestreden en beteugeld. Het vereist een herinnering die verontrust, niet eentje die bemoedigt. Het vraagt of Europa nog steeds gelooft wat het ooit heeft verklaard: dat over menselijke waardigheid niet valt te onderhandelen en dat zwijgen bij het zien van gruweldaden medeplichtigheid is.
Tot volgende week,