Onze gedachten vestigen

oktober 26, 2020

Waarom zijn wij christenen doorgaans niet positiever over het leven? over de toekomst? over mensen die anders zijn dan wij? Als we geloven in een soevereine God die zijn doelen in de geschiedenis uitvoert, waarom nemen we dan zo snel sombere eindtijdscenario’s over of omarmen we zelfs samenzweringstheorieën die zich tegenwoordig via sociale media vermenigvuldigen?

Tijdens online lezingen met seminariestudenten in België vorige week, noemde ik twee voorbeelden toen wij of onze voorouders het helemaal bij het verkeerde eind hadden. Een daarvan was de Eerste Wereldzendings- conferentie die in 1910 in Edinburgh werd gehouden. De meeste, zo niet alle afgevaardigden hadden de verwachting opgegeven dat Afrika in de vorige eeuw overwegend moslim zou gaan worden.

Toegegeven, het aantal moslims dat in Afrika ten zuiden van de Sahara leeft, is gestegen van ongeveer elf miljoen in 1900 tot ongeveer 234 miljoen in 2010. Toch ging de christelijke groei zelfs nog sneller, met een zeventigvoudiging van ongeveer zeven miljoen tot meer dan 600 miljoen nu. Zes-honderd-miljoen! Dat is meer dan de hele bevolking van de Europese Unie. (Zie World Christian Database).

Het andere voorbeeld dat ik met de studenten deelde, was het tijdperk van de Koude Oorlog, toen het marxisme algemeen werd beschouwd als de antichristelijke ideologie die de wereld zou domineren. Ik ben opgegroeid in die tijd dat het boek van Hal Lindsey, De planeet die Aarde heette (The late, great planet earth), miljoenen exemplaren verkocht, en daarmee een groot aantal christenen ervan overtuigde dat we in de eindtijd leefden waarin het steeds erger zou worden. Het communisme zou voor altijd bij ons zijn amen.

De dramatische gebeurtenissen van 1989 hebben bewezen dat dit allemaal verkeerd is. Het ‘Wonder van Leipzig’ waarover ik onlangs schreef en de overwinning van de waarheid op leugens hielpen ons te durven geloven in een ‘toekomstige geweldige planeet aarde‘.

Tasten in de duisternis

Maar COVID, klimaatverandering, onthoofdingen van terroristen, nepnieuws, rafelige democratieën, gepolariseerde samenlevingen, complottheorieën over vaccins en chips, en sociale media met hun verslavende algoritmen laten sommigen van ons nog een keer rondtasten in de duisternis.

Van alle mensen hebben christenen reden tot hoop. Maar soms komen de meest hoopvolle perspectieven uit niet-christelijke bronnen. Anne Frank, de joodse tiener die tijdens de Tweede Wereldoorlog een dagboek bijhield in haar Amsterdamse schuilplaats voordat ze werd weggevoerd om te sterven in de gaskamers, schreef: “Het is een wonder dat ik niet al mijn idealen heb opgegeven, ze lijken zo absurd en onpraktisch. Toch klamp ik me eraan vast omdat ik ondanks alles nog steeds geloof dat mensen echt een goed hart hebben.”

De Nederlandse journalist Rutger Bregman beargumenteert dit punt overtuigend in zijn bestseller De meeste mensen deugen. Had Thomas Hobbes gelijk toen hij in Leviathan betoogde dat de rauwe menselijke natuur wreed, egoïstisch, gewelddadig en beangstigend was? Talloze auteurs hebben zijn opvatting dat mensen rationele, egoïstische individuen waren, uitgebreid, van William Golding in Heer der vliegen (Lord of the Flies) tot Richard Dawkins in De zelfzuchtige genen (The selfish gene). Toch zijn de ideeën van deze auteurs de afgelopen jaren in diskrediet gebracht, zegt Bregman, wiens levensechte verhaal van zes Tongaanse jongeren die zestien maanden lang op een rotsachtig eiland in de Stille Oceaan waren gestrand, solidariteit, moed en hoop toonde, in tegenstelling tot Goldings fictieve ‘klassieker’.

Dat verhaal en vele anderen die Bregman vertelt, ondersteunen het idee van Jean- Jacques Rousseau dat mensen in wezen goede, vredelievende, coöperatieve wezens zijn. Hier hebben we de wortels van de spanningen die we tegenwoordig overal om ons heen zien tussen conservatieven en progressieven, realisten en idealisten. In theologische termen is het de eeuwenoude spanning tussen Augustinus (‘we zondigen omdat we zondaars zijn’) en Pelagius (‘we zijn zondaars omdat we zondigen’).

Genade en goedheid

Theologen hebben gedurende vijftien eeuwen deze spanning niet volledig opgelost. De westerse theologie heeft de neiging om Augustinus te volgen, terwijl Pelagius’ ideeën meer resoneerden met oosterse theologen zoals Origenes en Chrysostomos. Het Keltische christendom, waarvan we de verspreiding door Ierland en Groot- Brittannië met de studenten hebben gevolgd, weerspiegelde meer oosterse trekken dan westers, meer Johannes dan Paulus; genade werd door God gegeven om de goedheid te bevrijden die in het hart van het leven was geplant. Nadat de Keltische kerk tijdens de synode van Whitby in 664 in de katholieke kerk was opgenomen, ging helaas veel van de rijke Keltische erfenis verloren aan het westen.

Bregmans stelling is een uitdaging voor ons als christenen om opnieuw na te denken over de menselijke natuur. Net als de beweringen van de Zweedse professor Hans Rosling (over wie ik eerder heb geschreven) dat de menselijke samenleving er nooit beter voor is dan nu.

Zowel Bregman als Rosling wijzen op de slechte dienst van de nieuwsmedia aan ons, die Bregman vergelijkt met een superverslavende drug die ‘een misvatting van risico’s, angst, een lager gemoedstoestand, aangeleerde hulpeloosheid, minachting en vijandigheid jegens anderen’ veroorzaakt. Nieuws brengt het abnormale in ons leven, versterkt het negatieve en stemt ons af op het slechte.

In deze dagen van razende sociale media-activiteit doen we er goed aan gehoor te geven aan Paulus‘ aanmoediging om onze gedachten te vestigen ‘op wat waar, eerbaar, juist, puur, lieflijk, bewonderenswaardig, uitstekend en geprezen is‘ (Filippenzen 4: 8) .

Tot volgende week,




Geef een reactie